De mens in de kijker

                                                       ‘De mens in de kijker’.

Beste,

In de jaren zestig van de vorige eeuw volgde ik aan het Pius X-instituut de opleiding tot onderwijzer. We hadden er heel wat uitstekende leraren. Eén van hen is mij bijzonder bijgebleven: Roger Broddin, leraar fysica. Hij wist mijn belangstelling voor optica te wekken – je weet wel: lenzen, spiegels, interferentie en de verrassende eigenschappen van het licht.

Later volgde ik in dezelfde gebouwen aan de Olympiadelaan te Antwerpen het HIVO, het Hoger Instituut voor Opvoedkunde. Daar gaf pastoor T’Jampens filosofie. Zijn lessen fascineerden mij zo, dat ik ze bleef volgen tot het HIVO in 2000 definitief de deuren sloot. Pastoor T’Jampens stond niet alleen bekend om zijn enorme belezenheid en zijn uitzonderlijke mediale begaafdheid, maar eveneens als paranormaal genezer.

Op de seniorenwebsite van Pius X (https://www.seniorpix.be/index.php/home/weetje) kon ik daar in ‘Weetje 098’ al wat verder op ingaan. Bij herhaling zei pastoor T’Jampens dat de vereiste energie voor die genezingen van de H. Drie-Eenheid kwam. “Wie heeft mij aangeraakt, want ik heb een kracht van mij voelen uitgaan”? Dat vroeg Jezus toen de vrouw die al jaren aan bloedvloeiingen leed, achter zijn rug de zoom van zijn kleed had aangeraakt, en daardoor genas (Lucas 8:43vv.). Over zulk een fijnstoffelijke kracht gaat het. Het bestaan ervan en de wijze waarop pastoor T’Jampens die energie kon laten aanvoelen en aanwenden, is mij altijd blijven intrigeren.

Het thema ‘fijne stof’ is overigens al zo oud als de mensheid. Alle primitieve, antieke en klassieke culturen zijn of waren ermee vertrouwd. We vinden het b.v. terug bij de Oudgriekse denkers, onder meer bij de Milesiërs, en ook in het christendom – de twee belangrijkste pijlers van onze westerse cultuur. In 1 Korintiërs 15 schrijft de apostel Paulus dat de mens drievoudig is samengesteld: uit een biologisch lichaam, een onstoffelijke geest en een fijnstoffelijke ziel. Vooral dit laatste – de energetische, ‘subtiele’ stof waarover men in de oude catechismus nog sprak – lijkt in onze ‘verlichte’ tijdsgeest nauwelijks nog bestaansrecht te krijgen. En toch barst de paranormale literatuur van aanwijzingen hierover.

Onze grootste en krachtigste telescopen verkennen de grenzen van het heelal. De beste microscopen tonen ons de individuele atomen. Maar zodra je de mogelijkheid van een wetenschappelijk onderzoek naar die fijne stof ter sprake brengt, krijg je bijna steeds een sceptische en hoogst bedenkelijke reactie, ook en vooral vanuit wetenschappelijke hoek : “Daar moet je bij ons niet mee afkomen!” zo klinkt het. “De wetenschap heeft zich met ernstigere zaken bezig te houden”, zo lees en hoor je nog. En daartoe behoort blijkbaar geen fijnstoffelijke ziel.

Erg logisch is dat niet. Wat kan bestaan, verdient toch om onderzocht te worden. Of hebben we de mentaliteit van het jaar 1633 dan toch nog niet helemaal achter ons gelaten? Toen stelde Galilei dat niet de aarde, maar de zon in het centrum van het zonnestelsel staat. Veel liever dan zijn bewering in zijn telescoop te verifiëren, veroordeelde de toenmalige overheid hem voor deze ‘ketterij’. Zullen we toch maar het experiment laten beslissen, niet het vooroordeel?

Ofschoon de fijnstoffelijke ziel, voor wie helderziend is, zich vooral toont via een objectieve ‘verbeelding’ van deze werkelijkheid – in tegenstelling tot een louter subjectieve ‘inbeelding’ – toch bezit zij eveneens een veel bescheidener optisch aspect. En op dat laatste willen we ingaan. Concreet: wat zou er zich tonen als we niet de sterren en evenmin de atomen, maar de mens zelf, letterlijk ‘in de kijker’ zouden zetten? Zou het denkbaar zijn dat we dan iets ervan ‘aan het licht’ kunnen brengen?

We kennen allen een ‘sound-canceling’-koptelefoon. Zo’n toestel produceert bij een geluidsgolf een gelijkaardige, maar tegengestelde golf, waardoor beide elkaar neutraliseren. Het resultaat leidt tot stilte. Zou men dan ook een soort ‘light-canceling’-kijker kunnen bouwen – een instrument waarin lichtgolven elkaar opheffen, zodat men enkel nog duisternis ziet? Het principe bestaat reeds in de sterrenkunde als ‘Nulling interferometrie’. Hierbij vangen twee (of meer) telescopen het licht van eenzelfde ster op. Deze lichtbundels worden dan zodanig gecombineerd dat die golven elkaar opheffen. Als dan het licht van de ster sterk is verzwakt of teniet is gedaan,  kan men nagaan of er zich in haar onmiddellijke buurt planeten bevinden.  

Het principe klinkt inderdaad wat paradoxaal. Op geluid toegepast lijkt het alsof men met een ‘sound-canceling’-koptelefoon een concert zou bijwonen, om dan uiteindelijk niets te horen. Toch lijkt het verschijnsel ons niet alleen akoestisch, maar vooral optisch bijzonder interessant. In één enkele millimeter passen echter tweeduizend lichtgolven. Een veld waarin licht door destructieve interferentie volledig zou worden uitgedoofd, zal wel moeilijk te realiseren zijn, maar het zal ook uiterst labiel worden. De kleinste verstoring kan het zo subtiele evenwicht verbreken en opnieuw licht doorlaten.

In alle tijden en op alle plaatsen stellen kenners dat de mens omgeven is door een fijnstoffelijke aura – de fijnstoffelijke ziel zoals Paulus ze noemde. Voor wie zulks kan waarnemen, toont deze zich als een reeks steeds ijler wordende lagen rond het lichaam. De eerste, meest ‘stoffelijke’ ijle laag bevindt zich vlak rond het biologische lichaam en is gewoonlijk slechts enkele millimeters dik. De vraag is dan of zo’n subtiele laag het fragiele evenwicht van de destructieve interferentie zou kunnen verstoren. Want stel dat die nevelachtige substantie het licht zelfs maar met een fractie van een golflengte vertraagt, dan zal ze de destructie opheffen en daardoor zichtbaar worden. Dat is althans onze hypothese.

Met die gedachte in het achterhoofd bouwden we met de spiegel van onze Newtontelescoop een soort ‘zwartkijker’; een instrument dat via destructieve interferentie het licht bijna volledig uitdooft. Deze hoofdspiegel heeft een diameter van 155 millimeter. De technische moeilijkheden die bij de bouw ervan moesten worden overwonnen, zijn echt niet min, maar die laten we hier achterwege. Toen onze kijker uiteindelijk klaar was, brachten we de hand – of liever de wijsvinger – in het beeld.

We hadden uiteraard een verwachtingspatroon. Wie niet weet wat hij of zij zoekt, weet evenmin wat hij of zij vindt. Vergelijken we het b.v. met een echografie van een ziek lichaamsdeel. Wie er niets van kent, kan het beeld nauwelijks of niet interpreteren. Het “eerst zien, en dan geloven” is bij dergelijke onderzoeken slechts één zijde van de medaille. Het omgekeerde geldt eveneens: het “eerst geloven, en dan zien”. Je zoekt niet naar iets waarvan je meent dat het niet bestaat. Je moet vooraf een theorie hebben waarin je gelooft, en dan, en in functie daarvan, via het experimenteren deze theorie toetsen en aanscherpen. Er is een bestendige wisselwerking. De theorie geeft vorm aan het experiment, en de bereikte resultaten scherpen je theorie verder aan. 

Wat zich dan in onze kijker toont, hebben we kunnen filmen. De resultaten zie je hieronder. Eerst zien we in felle kleuren de opstijgende warme lucht die van de vinger of vingers uitgaat. Dan wordt er afgesteld op de destructieve interferentie, die wat later verbroken wordt.  

https://usercontent.one/wp/www.homoreligiosus.be/wp-content/uploads/2026/03/kijker210326.mp4?media=1774556750

(Nog? Het experiment met dubbele interferentie?)

Hoe dit alles interpreteren? Over de feiten valt niet te discuteren. Het antwoord op de vraag of er zich ‘iets’ toont, lijkt wel een overduidelijk ‘ja’. Wat we hadden verwacht en wat ons ook direct opvalt is dat de lichtende band, bij een op en neergaande beweging van de vinger, deze met een kleine vertraging volgt. Een beetje zoals de vlam van een brandende lucifer wat achterblijft als je de lucifer zachtjes heen en weer beweegt. Zieners zeggen ons dat het beeld van die band rond de vinger, en de vertraging ervan bij een vluggere beweging, strookt met wat zij helderziend waarnemen.

Toch zou dit beeld – deze eerste laag – zoals reeds gezegd, slechts een uiterst miniem aspect van de aura zijn. Het echte aura-zien, zo vernemen we, is veel rijker en kan net zo goed, of zelfs beter, met de ogen dicht. Zo is het duidelijk dat b.v. in het verleden of in de toekomst ‘kijken’, geen optisch proces kan zijn. Minimaliseren we dus het belang van ons experiment. Zoals reeds vermeld, worden we met het waarnemen van die lichtende band op zich, zonder dit beeld te situeren in een religieus-filosofische traditie, niet echt veel wijzer.

Plaatsen we het echter wel in een ruimer perspectief, dan kan het de aanzet worden van een heel ander verhaal. Het zou andermaal een aanwijzing kunnen zijn voor het objectieve bestaan van het fijnstoffelijk lichaam en de krachtwerkingen hieraan eigen. Dat lijkt ons al heel wat, en het verantwoordt naar ons aanvoelen elk verder onderzoek in die richting.

Gunnen we over dit alles echter iedereen zijn of haar mening. Ook aan wie in dit alles niet meer ziet dan wat opstijgende warme lucht of het verschijnsel vooral aan diffractie, aan een afbuiging van het licht, toeschrijft. Mogelijk speelt ook dat een rol. Zieners zeggen ons dat er voortdurend fijne stof uit de aura ontsnapt, een beetje zoals de geur die een bloem uitwasemt, of als de lichaamswarmte die ons lichaam afgeeft. Men kan de eerte laag van aura blijkbaar wel enigszins aflijnen, maar een sluitende definitie over wat er nog juist toe behoort en wat niet, lijkt niet evident. En laten we voor onszelf toch uiterst bescheiden blijven. Het blijft een geknutsel van een niet steeds even handige doe-het-zelver.  

Zoals gezegd zou het ongetwijfeld boeiend zijn zulke experimenten met grotere spiegels en op een professioneel wetenschappelijk niveau voort te zetten. Dat is beslist iets om naar uit te kijken. Het is echter minder eenvoudig dan het lijkt. Grote telescopen hebben parabolisch geslepen spiegels, terwijl spiegels die geschikt zijn om destructieve interferentie te veroorzaken, juist sferisch moeten zijn.

Tot zover deze toelichting bij ‘De mens in de kijker’.