top of page

De mens in de kijker

Op Pinksterdag viert het christendom de nederdaling van de H. Geest. De Bijbel, Handelingen 2, 1-4 vermeldt dat er vurige tongen verschenen, die zich op ieder van de apostelen neerzetten. Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf’.

 

En dat lijkt een uitstekende gelegenheid om het thema ‘fijnstoffelijke krachtwerkingen’, als één der mogelijke ‘levensbeschouwingen’, ter sprake te brengen.

 

In de jaren zestig van de vorige eeuw volgde ik aan het Pius X-instituut te Antwerpen de opleiding tot onderwijzer. We hadden er heel wat uitstekende leraren. Eén van hen is mij bijzonder bijgebleven: Roger Broddin, leraar fysica. Hij wist mijn belangstelling voor optica te wekken - je weet wel: lenzen, spiegels, interferentie en de verrassende eigenschappen van het licht.

 

Later volgde ik in dezelfde gebouwen aan de Olympiadelaan te Antwerpen het HIVO, het Hoger Instituut voor Opvoedkunde. Daar gaf pastoor T’Jampens filosofie. Zijn lessen fascineerden mij zo sterk, dat ik ze bleef volgen tot het HIVO in 2000 definitief de deuren sloot.

 

Pastoor T’Jampens stond er niet alleen bekend om zijn enorme belezenheid en zijn uitzonderlijke mediale begaafdheid, maar eveneens als paranormaal genezer. Bij herhaling zei hij hierover dat de kracht, de energie of ‘de fijne stof’, die voor zulke genezingen vereist is, niet van hem kwam, maar van de H. Drie-Eenheid. Hij vond dat hijzelf hierin slechts een bescheiden schakel was. Op de seniorenwebsite van Pius X mocht ik daar in ‘Weetje 098’, al wat verder op ingaan.

 

Zijn werkwijze leidde af en toe tot meningsverschillen met Ludo Docx. Deze priester gaf catechese, zowel op de normaalschool als op het HIVO, maar had wel wat voorbehoud bij de wereld van het paranormale. Volgens hem kon religie haar geloofwaardigheid alleen behouden als ze zich op een zo wetenschappelijk mogelijke manier profileerde. Deze visie benadrukt vooral de materiële en zintuiglijke aard van de werkelijkheid. De mirakels die in de evangeliën worden beschreven, zijn volgens deze zienswijze niet letterlijk gebeurd, maar zijn gegroeid uit volkse verhalen om het geloof meer kleur te geven.

Pastoor T'Jampens stelde echter dat de eindige wetenschap, met haar materiële en zintuiglijke vooronderstellingen, zichzelf veroordeelt tot een deelwetenschap van de totale werkelijkheid. Het domein van de religie is volgens hem veel ruimer en omvat alles wat op enigerlei wijze bestaat, het paranormale en het fijnstoffelijke inbegrepen. Juist daarin zag hij de kern van een dynamisch begrepen christelijke religie.

Hoe kun je bijvoorbeeld op een strikt wetenschappelijke wijze aantonen dat je van je partner houdt of dat je je kinderen graag ziet? Dat kan eenvoudigweg niet. En dat toont aan dat er meer is dan alleen de strikte wetenschap. Wie toch zo blijft redeneren, mist de zo noodzakelijke inleving in zijn of haar medemens. De Duitse denker Schopenhauer drukte dit treffend uit door te stellen dat de medemens het best benaderd wordt, niet als een 'Nicht-Ich', maar als een 'Ich-noch-einmal'.

Zo begrijpt iedereen onmiddellijk het onjuiste van de redenering: "Antarctica bestaat niet, want ik ben er nog nooit geweest." Maar niet iedereen merkt de gelijkaardige fout op in de gedachtegang: "Paranormale ervaringen bestaan niet, want ik heb er nog nooit ook maar één gehad." Laten we daarom ophouden de exacte wetenschap als hoogste norm van het leven te stellen.

De wetenschap kan zich alleen uitspreken over datgene wat empirisch toetsbaar is. Zij kan niet oordelen over het al of niet bestaan van een ongewone ervaring. Haar vooronderstellingen zijn vooral van zintuiglijke en materiële aard. Wat daaraan niet beantwoordt, is inderdaad niet wetenschappelijk. Maar zo'n ervaring kan daarom wel degelijk werkelijk zijn. Om te kunnen beweren dat bijvoorbeeld een paranormaal fenomeen of een religieuze ervaring niet bestaat, zou de wetenschap eerst moeten aantonen dat zij met haar eindige axioma's de oneindige werkelijkheid volledig kan omvatten. Met andere woorden: zij zou eerst moeten bewijzen dat haar domein de gehele werkelijkheid omsluit. Om dat te doen, zou zij echter een standpunt moeten innemen dat het zintuiglijk-materiële overstijgt. Maar zodra zij dat doet, overschrijdt zij haar eigen axioma's. Een dergelijk bewijs kan zij dus niet leveren. Dat betekent dat zij de werkelijkheid niet volledig omvat, maar er slechts een deel van beschrijft.

Een methodisch beoefende wetenschap erkent dit en is zich bewust van haar grenzen. Een ideologisch opgevatte wetenschap doet dat niet. Deze laatste vorm van 'wetenschap' eist voortdurend, en niet zelden op rigoureuze wijze, strenge bewijzen voor het bestaan van ongewone fenomenen en ervaringen, maar levert zelf nooit het bewijs van de algemene geldigheid van haar eigen uitgangspunten. M.a.w., zij eist van anderen, datgene waarin zij juist tekort schiet. Uitspraken over fenomenen die buiten haar domein vallen, zijn daarom niet meer dan een mening, naast andere meningen. Wetenschap is prachtig, wetenschap is noodzakelijk, maar buiten haar eigen domein heeft zij niet het laatste woord.

Geleidelijk raakte Ludo Docx onder de indruk van de visie van pastoor T'Jampens en van de bijzondere manier waarop deze priester mensen kon genezen. Toen ik hem enkele jaren geleden het boek 'De Homo Religiosus, religie als ervaarbare werkelijkheid' overhandigde, vergeleek hij T'Jampens met de profeten uit het Oude Testament. Dat waren toch veelzeggende woorden.

Verdiepen we ons nu verder in het thema van de 'fijne stof', dat overigens zo oud is als de mensheid zelf. Vrijwel alle primitieve, antieke en klassieke culturen waren of zijn ermee vertrouwd. We vinden het bijvoorbeeld terug bij de Oudgriekse denkers, onder meer bij de Milesiërs, en ook in het christendom: de twee belangrijkste pijlers van onze westerse cultuur.

In 1 Korintiërs 15 schrijft de apostel Paulus dat de mens drievoudig is samengesteld: hij heeft een biologisch lichaam, hij is wezenlijk een onstoffelijke geest en – wat ons hier vooral aanbelangt – hij bezit een fijnstoffelijke ziel. Ook in Lucas 8:43-48 lezen we hoe Jezus vraagt: "Wie heeft Mij aangeraakt? Ik heb immers een kracht van Mij voelen uitgaan." Dan blijkt dat een vrouw, die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed, door Jezus werd genezen. Of liever: zij genas doordat zij zijn kleed aanraakte. Zij geloofde dat zijn kleed deelde in zijn wonderlijke kracht. Volgens het Bijbelverhaal genas zij inderdaad.

Die fijnstoffelijke kracht, en de wijze waarop pastoor T'Jampens die energie eveneens kon laten aanvoelen en aanwenden, hebben mij altijd geboeid. Zijn helende werk moest echter in stilte en ver van alle publieke belangstelling gebeuren. In ons land bestaan immers wetten die dergelijke praktijken verbieden, zelfs wanneer de medische wetenschap geen uitkomst meer biedt. Omwille van misbruiken wordt het gebruik verboden. Dat roept toch vragen op. 

Onze grootste en krachtigste telescopen verkennen de grenzen van het heelal. De beste microscopen tonen ons individuele atomen. Maar zodra je de mogelijkheid van een wetenschappelijk onderzoek naar die fijne stof ter sprake brengt, krijg je – heel zacht uitgedrukt – bijna altijd een sceptische, soms zelfs afwijzende reactie. Vooral vanuit ideologisch-wetenschappelijke hoek klinkt het dan: "Daar moet je bij ons niet mee afkomen. De wetenschap heeft zich met ernstige zaken bezig te houden." En daartoe behoort een fijnstoffelijk lichaam blijkbaar niet.

Erg logisch is dat niet. Wat mogelijk bestaat, verdient toch onderzocht te worden. Of hebben we de mentaliteit van het jaar 1633 dan toch nog niet helemaal achter ons gelaten? Toen stelde Galilei dat niet de aarde, maar de zon het centrum van het zonnestelsel vormt. In plaats van zijn bewering met behulp van zijn telescoop te verifiëren, veroordeelde de toenmalige overheid hem wegens deze vermeende ketterij.

Zullen we daarom het experiment laten beslissen en niet het vooroordeel?

Ofschoon het fijnstoffelijke lichaam zich, voor wie helderziend is, vooral toont via een objectieve 'verbeelding' van deze werkelijkheid – in tegenstelling tot een louter subjectieve 'inbeelding' – bezit zij eveneens een veel bescheidener optisch aspect.

Op dat laatste willen we hier ingaan. Concreet: wat zou zichtbaar worden wanneer we niet de sterren en evenmin de atomen, maar de mens zelf 'in de kijker' zetten? Zou het denkbaar zijn dat we dan iets van deze werkelijkheid letterlijk aan het licht kunnen brengen?

Stel dat we twee stenen tegelijk in het water gooien. Op de plaats waar elke steen het water raakt, ontstaan uitdijende concentrische cirkels, die zich geleidelijk over het water verspreiden en uiteindelijk in elkaar overvloeien. Waar twee golftoppen samenvallen, ontstaat een hogere top. Waar twee golfdalen samenvallen, ontstaat een dieper dal. Wanneer een top en een dal elkaar ontmoeten, heffen zij elkaar op. Een kurk die zich op zo'n plaats bevindt, blijft onbeweeglijk liggen, terwijl een kurk vlak daarnaast met de golven op en neer danst.

Het punt dat we willen beklemtonen, is dat twee golven elkaar kunnen versterken of verzwakken en, indien de omstandigheden juist zijn, elkaar zelfs volledig kunnen neutraliseren. Veralgemeend kunnen we zeggen: een beweging, toegevoegd aan een gelijkvormige maar tegengestelde beweging, kan leiden tot… rust.

Redeneren we verder. We kennen allemaal een 'noise-cancelling'-koptelefoon. Zo'n toestel produceert bij een geluidsgolf een gelijkvormige, maar tegengestelde geluidsgolf, waardoor beide elkaar neutraliseren. Veralgemeend luidt dit: een geluidsgolf, toegevoegd aan een gelijkvormige maar tegengestelde geluidsgolf, leidt tot… stilte.

Ook licht verplaatst zich in de vorm van golven. Zou het mogelijk zijn eveneens een soort 'light-cancelling'-kijker te bouwen: een instrument waarin lichtgolven elkaar opheffen, zodat licht, toegevoegd aan licht, uiteindelijk tot… duisternis leidt?

In één millimeter passen echter ongeveer tweeduizend lichtgolven. Een veld waarin licht door destructieve interferentie volledig wordt uitgedoofd, zal dan ook bijzonder moeilijk te realiseren zijn. Bovendien zal het uiterst labiel zijn. De kleinste verstoring kan dit subtiele evenwicht verbreken en opnieuw licht doorlaten.

In alle tijden en op alle plaatsen stellen kenners dat onder meer de mens omgeven is door een fijnstoffelijke aura: het fijnstoffelijke lichaam, zoals de apostel Paulus haar noemde. Voor wie deze werkelijkheid kan waarnemen, toont zij zich als een reeks steeds ijler wordende lagen rondom het lichaam. De eerste – laten we haar de meest 'stoffelijke' van die ijle lagen noemen – bevindt zich vlak rond het biologische lichaam en is gewoonlijk slechts enkele millimeters dik.

De vraag is dan of zo'n subtiele laag het fragiele evenwicht van de destructieve interferentie zou kunnen verstoren. Stel immers dat die nevelachtige substantie inderdaad een hindernis vormt voor het doorgaande licht en dat dit licht daardoor zelfs maar een fractie van een golflengte wordt vertraagd. Dan zal die hindernis de destructieve interferentie opheffen en daardoor zelf zichtbaar worden. Dat is de hypothese die ik vervolgens experimenteel heb trachten te onderzoeken.

Met die gedachte in het achterhoofd bouwde ik mijn Newtontelescoop om tot een soort 'zwartkijker': een instrument dat via destructieve interferentie het licht bijna volledig uitdooft. Mijn hoofdspiegel heeft een diameter van 155 millimeter. De wiskundige en technische moeilijkheden die ik bij de bouw moest overwinnen, waren allesbehalve gering, maar die laat ik hier verder buiten beschouwing. Toen de kijker uiteindelijk klaar was, bracht ik mijn hand – of liever alleen mijn wijsvinger – in beeld.

Uiteraard had ik een verwachtingspatroon. Wie niet weet waarnaar hij of zij zoekt, weet evenmin wat hij of zij vindt. Vergelijk het bijvoorbeeld met een echografie of een röntgenfoto van een ziek lichaamsdeel. Wie daarvoor niet is opgeleid, kan zo'n beeld nauwelijks interpreteren.

Het 'eerst zien en dan geloven' is bij dergelijke onderzoeken slechts één zijde van de medaille. Ook het omgekeerde geldt: 'eerst geloven en dan zien'. Men moet vooraf beschikken over een theorie waarin men voldoende vertrouwen heeft om haar experimenteel te toetsen. Vervolgens scherpen de resultaten die theorie weer verder aan. Er bestaat een voortdurende wisselwerking: de theorie geeft richting aan het experiment en het experiment verfijnt op zijn beurt de theorie.

Wat zich vervolgens in mijn kijker toonde, heb ik op de onderstaande foto kunnen vastleggen.

Ik kon het gebeuren eveneens filmen. Het resultaat zie je door op de onderstaande link te klikken. De video duurt ongeveer dertig seconden.

Eerst toont het filmpje enkele kleurrijke slierten van opstijgende lucht. Mijn hand is immers warmer dan de omringende lucht, waardoor deze opstijgt. Dat is duidelijk zichtbaar.

Vervolgens stel ik de kijker in op destructieve interferentie. Het beeld wordt plots donker en ook de kleurrijke slierten verdwijnen. Dat heeft zijn redenen, maar die zijn in deze korte tekst niet eenvoudig toe te lichten. Daarna houd ik beide wijsvingers voor de spiegel en beweeg ik ze zachtjes op en neer. Let daarbij vooral op de enigszins afgelijnde lichtende band die zich vlak rond de wijsvingers aftekent.

Hoe moeten we dit alles nu interpreteren? Over de waarnemingen zelf valt nauwelijks te discussiëren. Op de vraag of er zich 'iets' toont, lijkt het antwoord overduidelijk bevestigend. Wat ik had verwacht, en wat ook onmiddellijk opvalt, is dat de lichtende band bij een op- en neergaande beweging van de vinger deze met een lichte vertraging volgt. Het doet denken aan de vlam van een brandende lucifer, die eveneens enigszins achterblijft wanneer je de lucifer zacht heen en weer beweegt. Volgens helderzienden stemt zowel het beeld van deze lichtende band als de lichte vertraging ervan overeen met wat zij zelf waarnemen.

Toch zou dit beeld, zoals reeds gezegd, slechts een uiterst beperkt aspect van de aura kunnen weergeven – tenminste, als het hier inderdaad om een aura gaat. Het eigenlijke aurazien vereist, zo vernemen we, een sterke concentratie en zou veel rijker zijn. Sommigen beweren zelfs dat dit even goed, of soms beter, met gesloten ogen mogelijk is. Het is dan ook duidelijk dat bijvoorbeeld het waarnemen van gebeurtenissen uit het verleden of de toekomst, of het helderziend waarnemen van andere plaatsen, geen optisch proces kan zijn.

Laten we het belang van dit experiment daarom niet overdrijven. Zoals hierboven reeds werd gesuggereerd, maakt de enkele waarneming van een lichtende band ons op zichzelf nog niet veel wijzer. Pas wanneer we dit verschijnsel plaatsen binnen een bredere levensbeschouwing of een religieus-filosofische traditie, krijgt het een mogelijke betekenis.

Vanuit dat perspectief zou het een aanwijzing kunnen vormen voor het objectieve en mogelijk zelfs wetenschappelijk onderzoekbare bestaan van een fijnstoffelijk lichaam, van onze aura en van de krachtwerkingen die daarmee samenhangen. Alleen al daarom lijkt het mij verantwoord dat dit verschijnsel verder wordt onderzocht.

Gunnen we echter iedereen zijn of haar eigen mening. Ook wie in dit alles niets anders ziet dan opstijgende warme lucht, verdient alle respect. Die interpretatie is overigens niet zonder grond. Helderzienden vertellen ons dat voortdurend fijne stof uit de aura vrijkomt, enigszins zoals een bloem haar geur verspreidt of zoals ons lichaam warmte afgeeft. De eerste lichtende band rond de aura laat zich misschien nog enigszins afbakenen, maar waar die precies ophoudt en de omringende verschijnselen beginnen, valt zonder een strikte definitie moeilijk uit te maken. Bovendien bevindt dit onderzoek zich – voor zover mij bekend – nog in een zeer vroege fase en blijft het vanzelfsprekend voor discussie vatbaar.

Mogen we dan toch hopen dat men het hier beschreven verschijnsel met een open geest zal benaderen? "Fijnstoffelijkheid mag niet bestaan; het kan niet bestaan", zo klinkt het soms, nog vóór men kennis heeft genomen van het experiment. Sommigen houden liever vast aan een strikt materialistisch en zintuiglijk beeld van de werkelijkheid. De stap naar een meer holistische benadering blijkt voor velen niet vanzelfsprekend.

Laten we ten slotte ook zelf de nodige bescheidenheid bewaren. Het blijft uiteindelijk een experiment van een enthousiaste amateur die graag zelf bouwt en onderzoekt. Wat ik hier zeker niet wil beweren, is dat het bestaan van een fijnstoffelijk lichaam of een aura hiermee zou zijn aangetoond. Wel meen ik een methode te hebben gevonden om het volledige oppervlak van een spiegel op destructieve interferentie af te stemmen. Wanneer dat uiterst kwetsbare evenwicht wordt verstoord, ontstaan opmerkelijke verschijnselen.

 

Alleen al daarom lijkt het mij de moeite waard deze techniek op een professioneel-wetenschappelijke wijze en met grotere spiegels verder te onderzoeken. Dat overstijgt echter mijn mogelijkheden. Bovendien is de techniek minder eenvoudig dan zij op het eerste gezicht lijkt. Grote telescopen maken gebruik van parabolisch geslepen spiegels, terwijl voor destructieve interferentie juist sferische spiegels nodig zijn. Ook daarvoor zijn wellicht andere oplossingen denkbaar, maar een bespreking daarvan zou ons in deze inleidende tekst te ver voeren. We komen er later nog op terug.

Tot zover enkele beschouwingen over fijnstoffelijke krachtwerkingen* en – verwijzend naar het Pinkstergebeuren – over een levensbeschouwing die dergelijke verschijnselen een plaats wil geven.

De webmaster

(* Zie o.m. het boek 'De homo religiosus, religie als ervaarbare krachtwerking', Hoofdstuk 8: Animisme als alom aanwezige zielestof.)

 

© 2035 by Homo Religiosus. Powered and secured by Wix 

 

bottom of page